Tot de straatlantaarns aangingen 

Weet je nog hoe het voelde om van school naar buiten te rennen, met de zon op je gezicht en een koekje in je hand? Voor Brigitte waren die middagen magisch. Geen afspraken, geen schema’s, alleen de straat, de pony’s, de karretjes en eindeloze fantasie. In dit persoonlijke verhaal neemt ze je mee terug naar haar jeugd in de jaren ’80, naar de geur van kampvuur, het getik van springtouwen en de vrijheid die alleen een kind buiten kon beleven. 

Ik weet het nog precies. 
Het moment dat ik uit school kwam, mijn tas in de hoek smeet en in één teug mijn limonade opdronk, klok, klok, klok, met zo’n lekker koekje erbij. En dan, hup, naar buiten. Zonder te weten wat de middag zou brengen, maar zeker van één ding: het werd leuk. 

Buiten was er altijd wel iemand. Olaf, mijn buurjongen bijvoorbeeld met wie ik eindeloos kon spelen. We hoefden nooit af te spreken; je liep gewoon naar buiten en keek wie er was. De straat was onze speeltuin. Een lange rij huizen met brede stoepen, perfect om te hinkelen, te knikkeren of te stoepranden met een bal. Soms hoorde je in de verte al een bal tegen een muur ketsen, of het vrolijke tik-tak van een springtouw dat op de tegels sloeg. 

En als het even stil was, wist je dat het maar een kwestie van tijd was tot iemand weer naar buiten kwam. Eén kind dat op straat stond, trok vanzelf de rest aan. 

Achter onze huizen lag een veldje. Daar stond een echte pony. Een van de buren had hem daar neergezet, en voor ons was dat pure magie. We renden erheen met een appel in onze hand, staken onze armen over het hekje en aaiden hem over zijn zachte neus. Als de eigenaar langskwam en zei: “Kom maar op, wie wil er een rondje?”, dan stonden we in een keurige rij. 

Ik zie mezelf nog zitten, in mijn blote buik, trots als een cowboy op die rug. Mijn moeder mocht de pony vasthouden, en ik voelde de zon prikken op mijn schouders terwijl we langzaam een rondje maakten. Het voelde alsof ik de wereld aankon. 

En dan was er natuurlijk de kar die we samen bouwden. We waren echte bouwers. In elke schuur stond wel een onderdeel van onze grote kar. Het begon met een oude skelter en groeide uit tot een hele trein van aanhangwagentjes. Het onderstel van een kinderwagen, planken, kartonnen wanden, alles aan elkaar vastgemaakt met touw. 

Iedereen had een stukje van die kar in zijn schuur staan. En als we hem weer in elkaar zetten, werd het een woonkamer, keukentje, slaapkamer… we speelden het grote-mensenleven na. We namen stiekem eten mee van binnen en duwden dat ding met z’n allen door de straat. De kar kwam niet ver, maar in onze fantasie reden we tot het einde van de wereld. 

Soms leidde de kar ons verder, naar het veldje achter de huizen. Ik kan het kampvuur wat we daar maakte nog ruiken. We gingen langs de deuren, haalden oude kranten op, “voor het goede doel!” riepen we. Zo sleepten we dozen vol naar het weiland waar we ze tot een warm kampvuur stookte. De geur van brandend papier, een beetje inkt en een beetje hout… heerlijk. We zaten met zwarte knieën en vuile handen bij het vuur, met ogen die glinsterden van avontuur. 

En als we dan thuiskwamen, riep mijn moeder: “Loop maar rechtstreeks door!” 
Dan zat ik even later in een plastic bad, mijn zus ernaast, vechtend om wie in het diepe mocht. Warm sop, met schrammen op mijn knieën en haren vol stof, maar ik voelde me geweldig. 

Als de avond viel, hoorde je ineens overal deuren openzwaaien. Moeders die riepen: 
“Eten!” En dan wist je: het is tijd. We aten snel, want als je geluk had mocht je terug naar buiten. Wanneer dat het geval was moest je zodra de lantaarns aangingen weer terug naar binnen. Dat was de regel in de hele buurt. 

 
Ik keek dan nog even over mijn schouder naar de straat, waar de laatste kinderen langzaam naar huis liepen. En ik dacht altijd hetzelfde: morgen weer. 

Als ik eraan terugdenk, voel ik die vrijheid nog. Er waren geen schema’s, geen telefoons, geen schermen die je vasthielden. Alleen wij, onze fantasie, en de straat die groot genoeg was voor alles wat we konden bedenken. 

En soms denk ik: misschien was dat het mooiste van alles. Niet de pony, niet de kar, niet het kampvuur… maar dat alles mogelijk leek, zolang je maar naar buiten ging.