Homoseksueel zijn in de jaren ’80 en ’90 – het verhaal van Jan Jelle van Hasselt
Weet je nog? AIDS, de homohaat van Anita Bryant, het lied Luister Anita, de Gay Games. Allemaal elementen die centraal stonden in het homoseksueel zijn in de jaren tachtig en negentig.
Jan Jelle van Hasselt (65) neemt ons mee naar deze periode, waarin hij niet alleen zijn plek in de wereld zocht, maar ook zijn geaardheid ontdekte. Het waren jaren van vrijheid en verandering, maar ook van strijd en onbegrip.
Na de middelbare school verruilde hij Den Haag voor Amsterdam om te studeren. Hij werd lid van de studentenvereniging die we nu kennen als het AmsterdamschStudenten Corps. In een wereld waarin hetero de norm was, moest hij zijn eigen weg vinden.
“Binnen mijn dispuut gedroeg ik mij anders,” vertelt hij. “Stoerder, uitgesprokener. In een studentenvereniging benader je mensen anders dan in een uitgesproken gay omgeving.”
Reizen en eerste ervaringen
Tijdens zijn studententijd reisde Jan Jelle veel, dankzij zijn vader die bij de KLM werkte. Met kerst 1983 vloog hij goedkoop naar de Filipijnen, een periode waarin hij normaal bij familie zou zijn.
“Ik voelde me wat verloren,” zegt hij. Tot hij in het hotel een groep Filipino’s muziek hoorde maken. Ze nodigden hem uit mee te gaan naar een kerkopera met grote kostuums en levendige muziek. De kerken daar zijn open aan de zijkanten, met alleen een dak erboven om de tropische warmte tegen te houden. “Daar voelde ik mij meteen onderdeel van iets groters.”
Die avond maakte een diepe indruk op hem: het was zijn eerste seksuele ervaring met een man. “Toen belandde ik in bed met Petrus,” zegt Jan Jelle met een glimlach.
In het buitenland voelde alles losser, legt hij uit. Daar kende niemand hem, en viel er minder te oordelen. “Misschien was het prettiger omdat er niet meteen tien mensen stonden te wijzen: ‘Wat ben je aan het doen?’” In Nederland was die vrijheid minder vanzelfsprekend. Openlijk affectie tonen maakte je direct herkenbaar en daarmee kwetsbaar voor blikken en oordelen.


Terug in Nederland
“Homo zijn was geen normaal onderdeel van het leven of een geaccepteerd iets,” herinnert Jan Jelle zich. “Er waren wel openlijk homoseksuelen op televisie, zoals Albert Mol en Jos Brink, maar er werd toch lacherig over gedaan. Dat zijn afwijkende types, dat is niet helemaal normaal. Als jij maar niet zo raar bent.”
Binnen zijn studentenvereniging was hetero de norm. “Er was een klein subcultuurtjevan startende homo’s, maar dat gebeurde voorzichtig en niet openlijk. Toen mijn dispuut hoorde dat ik een relatie had met een man, ontstond er echt consternatie. Ik zat toen in militaire dienst, en dat vonden ze stoer. Maar dit vonden ze níét stoer. Er werd zelfs geopperd of ik uit het dispuut gezet moest worden.”
De angst en het stigma van de jaren tachtig
Begin jaren tachtig bestond rond het Rembrandtplein de Pink Triangle: zes cafés dicht bij elkaar waar homo’s elkaar ontmoetten.
“Voor 2000 was het er veel spannender,” vertelt Jan Jelle. “Er was nog geen angst voor AIDS. Mensen ontmoetten elkaar vrijer, ook in darkrooms. Dat veranderde allemaal in 1983, toen AIDS als een bom insloeg.”
Die periode viel samen met zijn eigen coming-out. “Je voelde direct de angst. Niemand wist precies hoe je het kreeg. Er was een tijd dat mensen homo’s geen hand durfden te geven, of bang waren voor close contact.”
Zelf heeft Jan Jelle nooit directe discriminatie meegemaakt. “Ik zat in een rustigere omgeving en had al een vaste relatie. Maar ik ken mensen die aan AIDS zijn overleden, van wie je het totaal niet verwachtte. Eén onvoorzichtig moment kon fataal zijn. Dat was het mes dat voortdurend boven je hoofd hing.”
Er waren momenten van empathie, maar ook pijnlijke opmerkingen. “Mensen zeiden: ‘Je hebt erom gevraagd’, of: ‘Het is de straf van God’. Vooral katholieken konden dat zeggen. Dat zette me aan het denken: zou het echt een straf zijn? Gelukkig kwam er later medicatie en was positief zijn geen doodsvonnis meer. Toen veranderde ook de manier waarop de maatschappij ernaar keek.”
Hij herinnert zich ook Anita Bryant, de Amerikaanse zangeres die fel campagne voerde tegen homo’s. “Zij stond op podia te roepen dat AIDS de straf van God was. Gelukkig was er de Zangeres Zonder Naam, die met het lied Luister Anita juist opkwam tegen die haat. Dat nummer werd overal gedraaid, in cafés, op de radio. Ze werd omarmd door de gemeenschap.”
De Gay Games en de vrijheid van de stad
In 1998 vonden de Gay Games plaats in Amsterdam, twee weken lang een sportevenement vergelijkbaar met de Olympische Spelen, maar dan voor de LHBTQIA+ community. Jan Jelle deed als vrijwilliger de communicatie.
“De stad werd overspoeld met sportmanifestaties, van serieuze sporten tot komische wedstrijden zoals handtaswerpen en stilettoraces. Overal in de stad was het feest. Amsterdam heeft dat mooi neergezet. Het was een groot succes. Nu is de homocultuur voor het grootste deel opgegaan in de mainstream. Alleen rond het Homomonument, bij Koningsdag of Bevrijdingsdag proef je nog iets van dat oude gevoel van samenhorigheid.”
Tijdens de Gay Games vonden ook boottochten plaats. “Ik had zelf een bootje. Het was ongeorganiseerd, je kon gewoon meevaren. Geen bedrijven die zich manifesteerden, maar een gekke, vriendelijke optocht met een amateuristische uitstraling. Het bevestigde Amsterdam als gay capital of the world.”
De stad kleurde letterlijk en figuurlijk. “Fabiola, de Belgische die met een kinderwagen en babypopje liep. De gouden man, die alleen een string droeg en geloofde dat hij eeuwig leefde dankzij pillen. Dat soort mensen gaven kleur aan de stad.”
“Met dat soort evenementen kwam je even vanuit de bijrol in de hoofdrol,” zegt hij. “Wij waren opeens het focuspunt. Later werd het commerciëler. Het experimentele, het vernieuwende, dat is allemaal een beetje weggepoetst. Het is saaier geworden.”
De erfenis van een strijd
“Jongeren van nu moeten zich realiseren dat er een gevecht is geweest om het zover te krijgen als het nu is,” zegt Jan Jelle. “Maar ook dat er dingen zijn die opnieuw het vechten waard zijn, zoals veiligheid en acceptatie. Soms moet je terugvechten als er agressie is, niet alles over je heen laten komen.”
Wat hij tegen zijn jongere zelf zou zeggen? “Neem risico’s, trek je niet te veel aan van wat de omgeving denkt. Ik heb me in het begin laten domineren door angst, ook door de AIDS-periode. Maar als ik terug mocht naar de jaren tachtig, zou ik graag nog een aantal van die gekke plekken bezoeken, dingen doen die ik toen niet durfde. Er werd vaak gestimuleerd om niet te gek te doen. Aan de ene kant had je een stad vol experimenten, aan de andere kant een cultuur van ‘doe maar gewoon’. Als je uit Den Haag komt en in een studentenvereniging zit met verantwoordelijkheden, dan doe je een aantal dingen niet.”
